
Eigen
bloed-therapie
Sinds
mensenheugenis worden aan bloed diverse eigenschappen toegeschreven. Het is dan
ook geen wonder dat bloed altijd al een belangrijke betekenis had als
diagnostisch, prognostisch en therapeutisch middel.
Voorzover
bekend waren het Elfstrom en Grafstrom uit Zweden, die in 1898 als eersten in
Amerika de eigen bloed-nosode(*) introduceerden. De eigenlijke wetenschappelijke
onderbouwing van de behandeling van de patiënt met eigen bloed begon in 1912
met de publicatie van 'Studien über die Proteinkörpertherapie' door R.
Schmidt. Daarna volgden meer wetenschappelijke uitgaven met resultaten van
onderzoeken. Eerst in 1951 verscheen het voor deze methode van behandeling
fundamentele werk 'Die Eigenblutbehandlung' van Dr. Hans Haferkamp, arts te
Mainz Duitsland. Helaas is dit boek niet meer verkrijgbaar. In Duitsland is de
eigen bloed-therapie algemeen bekend en wordt in vrijwel alle medische
praktijken toegepast. In Nederland is dit niet het geval. In oktober 2002
berichtte het Catharina Ziekenhuis te Eindhoven evenwel, dat men in de praktijk
de ervaring had opgedaan dat patiënten die eigen bloed hadden gehad sneller
genazen en veel eerder naar huis konden.
De
werking van eigen bloed algemeen
De
resultaten van omvangrijke onderzoeken sinds het begin van de eigen
bloed-therapie zijn deels in tegenspraak met elkaar en deels niet helder. In
ieder geval is wel vast komen te staan, dat de behandeling met eigen bloed
lichaamsprocessen bijstuurt en de zelfgenezingsprocessen stimuleert. Het
navolgende mag dat duidelijk maken.
Normaal
bevindt het bloed zich in het bloedvatenstelsel. Vanwege de diverse functies
zoals het transport van zuurstof, kooldioxide, voedingsstoffen,
stofwisselingsproducten, verdeling van warmte en de bijdrage aan het
immuunsysteem, mag het bloed de bloedvaten niet verlaten. Wanneer dat wel
gebeurt dan ontstaan de klassieke ontstekingsverschijnselen. Het bloed wordt dan
zelf een pathogene (ziekmakende) prikkel; dit gegeven vormt de basis voor de
eigen bloed-therapie. Behalve de vele van levensbelang zijnde bestanddelen van
het bloed, bevinden zich daarin specifieke antilichamen en toxinen (gifstoffen)
en af en toe zelfs bacteriën. Het afweersysteem van betrekkelijk veel mensen
blijkt onvoldoende, soms zelfs geblokkeerd. Daardoor komt een reactie nauwelijks
of niet op gang. Dit geldt vooral voor chronische ziekten. Nemen we in deze
gevallen bloed af en injecteren we dat in extravasaal weefsel (onderhuids /
spieren), dan worden afweerstoffen geactiveerd en het immuunsysteem
gestimuleerd. Het bloed draagt aanwezige informatie over binnen het eigen
lichaam. Daardoor wordt het in principe mogelijk om een chronisch proces om te
keren in een meer acute toestand die meer ontvankelijk is voor een (dan mogelijk
geworden) gerichte behandeling. Dit sluit geheel aan bij de theorie van Dr.
Reckeweg in het bijzonder voor wat betreft de regressieve vicariatie (zie
hierna).
Het
proces van ziekte en herstel volgens Reckeweg
Reckeweg
heeft voor wat betreft het verloop van alle ziekteprocessen een indeling in de
zes volgende fasen gemaakt:
1.
De excretie- of uitscheidingsfase. Tijdens deze fase worden het lichaam
belastende en de gezondheid bedreigende stoffen uitgescheiden door middel van
transpireren, slijm opgeven, braken, diarree enzovoort.
2.
De reactie- of ontstekingsfase. Wanneer de uitscheiding niet voldoende lukt, dan
probeert het lichaam middels ontstekingen met als doel 'vertering' van
gifstoffen, slakken en microben het lichaam daarvan te bevrijden.
3.
De depositie- of verslakkingsfase. Is het lichaam niet langer in staat slakken
uit te scheiden, dan worden deze 'op dood spoor' gezet door het opslaan ervan in
diverse weefsels. Het verloop ervan gaat achtereenvolgens van minder belangrijke
tot en met belangrijke weefsels. Aanvankelijk in vetweefsel, onderhuids en
overig bindweefsel, gewrichten en ook als blaas-, nier-, galstenen enzovoort.
4.
De impregnatiefase. Het uitscheiden van schadelijke stoffen lukt steeds minder
en deze tasten uiteindelijk de structuur van cellen aan.
5.
De degeneratie- of ontaardingsfase. De schade aan de cellen veroorzaakt
degeneratie van orgaanstructuren waardoor hun functies worden aangetast.
6.
De neoplasma- of kankervormende fase is gekenmerkt door beschadiging van de
celkern en aantasting van het DNA waardoor cellen een eigen leven gaan leiden.
Het
verloop van een ziekte via deze zes fasen, noemt Reckeweg de progressieve
vicariatie. De weg terug door een natuurgeneeskundige behandeling heet
regressieve vicariatie. Het weer oproepen van het acute stadium betekent niet
dat alle symptomen zich weer en in dezelfde mate zullen manifesteren. Het is een
reactie in de zin van een aanvankelijke verergering van de klachten zoals we die
in de homeopathie ook kennen. De in de regel milde reacties op het eigen bloed
zijn voldoende om het afweersysteem opnieuw te wekken. De patiënt herkent vaak
zelf deze verergering en ook eventuele vroegere symptomen en geeft dan zelf al
aan dat zij/hij een reactie heeft gehad. Inmiddels is gebleken dat zowel
specifieke als wel aspecifieke (meer algemene) afweerreacties door de eigen
bloed-therapie worden opgeroepen.
Na
voorgaande verduidelijking van de werking van deze therapie hierna een
specificatie van de lokale en algemene reacties die optreden na het per injectie
toedienen van eigen bloed.
Lokale
reacties zijn onder meer de klassieke ontstekingsverschijnselen: rubor
(roodheid), calor (warmte), tumor (zwelling) en dolor (pijn). Verder zien we een
toename van de oxidatie (verbranding in de cellen met behulp van zuurstof) en
een lokale acidose (verzuring).
Algemene
reacties op eigen bloed zijn leucocytose (vermeerdering van de witte
bloedlichaampjes), toename van het metabolisme (stofwisseling),
temperatuurverhoging, vorming van antistoffen en het optreden van subjectieve
verschijnselen.
Effecten
van eigen bloed
Tijdens
de eigen bloed-therapie zien we de volgende positieve veranderingen:
*
de patiënt voelt zich beter, zowel lichamelijk als psychisch
*
zelfs zwaarmoedigheid tot depressiviteit verbeteren zich
*
de kwaliteit van de slaap wordt beter
*
de eetlust wordt bevorderd
*
het algehele herstel wordt gestimuleerd
*
eigen bloed blijkt ook een pijnstillende werking te hebben
*
de werking van het hormoonsysteem wordt gereguleerd
*
eigen bloed heeft een remmende werking op ontstekingen
*
de medicatie kan veelal verminderd worden, soms gestaakt.
Met
behulp van eigen bloed kunnen ook zogenoemde 'haarden' worden opgespoord.
Haarden zijn bijvoorbeeld een ontstoken tandwortel, een chronische ontsteking
van de appendix (blinde darm), enzovoort. Vanuit de haard wordt het gehele
lichaam in negatieve zin beïnvloed; er ontstaan algemene klachten naast de
lokale. Is de haard eenmaal opgespoord dan kan deze worden behandeld waarna de
betrokkene zich heel snel zal herstellen.
Indicaties
voor eigen bloed
Uit
het voorgaande valt al op te maken, dat de meeste klachten, aandoeningen en
ziekten gunstig zullen reageren op behandeling met eigen bloed. Bijzonder goede
resultaten worden bijvoorbeeld geboekt bij:
*
allergieën en auto-immuunziekten
*
zwakte van het immuunsysteem
*
astma, bronchitis en andere longaandoeningen
*
reuma, jicht en fibromyalgie
*
chronische vermoeidheid
*
huidklachten
*
vóór en na operatieve ingrepen
*
stoornissen van het hormoonsysteem
*
griep en andere virale aandoeningen
Contra-indicaties
voor eigen bloed
De
vele mogelijkheden van eigen bloed-therapie betekenen tegelijkertijd, dat het
aantal gevallen waarin deze behandeling niet is aan te bevelen, zeer beperkt is.
Contra indicaties zijn:
*
actieve tuberculeuze processen
*
een ernstige, destructieve toestand in het terminale stadium van een ziekte; dit
kan te belastend zijn terwijl er geen wezenlijke verbetering te verwachten valt
*
tromboflebitis (aderontsteking met trombosevorming) in verband met beïnvloeding
van het stollingsproces waardoor een embolie zou kunnen ontstaan.
Methoden
van behandeling met eigen bloed
Op
de eerste plaats kunnen van eigen bloed homeopathische verdunningen worden
gemaakt, al dan niet met toevoeging van homeopathische of andere geneesmiddelen,
die oraal (via de mond) kunnen worden ingenomen. Deze methode is vooral geschikt
voor kinderen en mensen die een enorme afkeer hebben van injecties. De tweede
mogelijkheid van eigen bloed-therapie per injectie verdient echter altijd de
voorkeur. Hierbij wordt namelijk het maag- darmkanaal omzeild en geheel of
gedeeltelijk verlies van de werking voorkomen. Bovendien komt per injectie het
eigen bloed direct in het zogenoemde bioregulatiesysteem (bindweefsel tussen de
cellen) waardoor vrijwel onmiddellijk een impuls wordt gegeven aan het
afweersysteem en de verschillende regelsystemen in het lichaam. De eigen
bloed-therapie per injectie biedt verder de mogelijkheid om tussentijds het
verloop van het herstel te volgen en zo nodig bij te sturen.
Voor
de eigen bloed-therapie per injectie wordt 0,01 tot 5 ml bloed afgenomen
afhankelijk van het feit of we te maken hebben met een acute of een chronische
aandoening. Als regel bestaat een eigen bloedkuur uit 10 injecties in 10
opeenvolgende weken. Bij chronische patiënten te beginnen bij 0,01 en eindigend
bij 1 ml bloed. In meer acute gevallen krijgt de patiënt oplopend van 1 tot 5
ml per keer en vervolgens van 5 ml tot 1 ml per keer. Meer dan 5 ml per keer
wordt afgeraden; er kan dan een ongewenste overmatige reactie optreden. Het
bloed dat wordt afgenomen wordt verdund met een fysiologische zoutoplossing (2
tot 5 ml) of met homeopathische middelen. Deze middelen worden gekozen op basis
van de klachten van de patiënt en na onderzoek. Dit onderzoek kan op
verschillende manieren plaatsvinden. Veel therapeuten testen de middelen uit.
Wij geven de voorkeur aan uitgebreide, overigens niet alleen reguliere, bloed-
en urine onderzoeken.
De
resultaten van de eigen bloed-therapie zijn buitengewoon positief en het is dan
ook een methode die een verrijking kan betekenen voor elke medische praktijk. De
gezondheidszorg en de patiënten zouden ermee gediend zijn wanneer deze therapie
meer toepassing zou vinden.
(*)
Nosoden zijn geneesmiddelen, die uit gepotentieerde lichaams(ziekte)stoffen
worden gewonnen en overwegend bij chronische aandoeningen worden ingezet.
Bert
Kloosterman
Docent
Heilpraktikerschule Oberhausen
Winterswijk
(Gld)
Oorspronkelijk gepubliceerd in De Natuur Uw Arts, 28e jaargang, Nr. 165, bladzijde 15