Aangezichtszenuwpijn  

Sommige mensen kunnen gigantisch geplaagd worden door aangezichtszenuwpijn. Zenuwpijnen zijn toch al zo erg, ze behoren immers tot de zwaarste pijncategorie. Als zo'n zenuwpijn dan ook nog ervaren moet worden aan het hoofd lijkt het dubbel erg, want aan je hoofd kun je meestal minder hebben dan aan de rest van je lichaam.  

Aangezichtspijn kan een mens, als het veel en langdurig optreedt, volledig uit z'n gewone doen brengen. Je wordt er letterlijk helemaal door geobsedeerd. De medische wetenschap heeft geen echt vriendelijk antwoord op dit probleem, omdat de gewone pijnstillers meestal niet werkzaam genoeg zijn. Dus worden zware middelen voorgeschreven met even zware en vervelende bijwerkingen. In het ergste geval adviseert de neuroloog dat de zenuw maar moet worden doorgesneden, hetgeen mij ook niet de fraaiste oplossing lijkt.  

De medische wetenschap kijkt bijna uitsluitend naar de symptomen, de verschijnselen die pas in een laat of acuut stadium optreden. Dat is op zich niet verkeerd, want een gebroken been, een hartaanval, een herseninfarct of een acute bloeding zijn verschijnselen die beslist zeer vakkundige, vooral technische hulp vereisen. In die zin niets dan lof voor het medisch kunnen. Als het echter verschijnselen betreft die niet zo acuut zijn, richt de medische wetenschap zich m.i. te weinig op echt onderzoek naar de achtergronden en oorzaken. Dan moeten we er maar mee leren leven en zijn het waarschijnlijk psychische spanningen of iets dergelijks. Einde gesprek en dus met een pot pijnstillers of iets dergelijks naar huis.  

Hoe zit dat nu met aangezichtszenuwpijn? Wel, in vroeger tijd wisten ouderwetse huisartsen dat deze aandoening vooral bij bepaalde typen mensen voorkwam en dat de oosten- of noordoostenwind een belangrijke rol speelde. Ook wist men dat er in het geval van aangezichtszenuwpijn een extra gevoeligheid aanwezig was voor scherpe kruiden en specerijen en vooral voor koffie. Belegen en oude kaas blijkt ook van invloed.  
Het eerste dat een mens, die getroffen wordt door aangezichtszenuwpijn, moet doen is: altijd, zomer en winter, een warme, wollen sjaal dragen als hij of zij buiten komt, vooral bij oosten- en noordoostenwind. En dus ook geen koffie, kaas en scherpe kruiden en specerijen. Wat extra vitamine B-complex is heel zinvol, omdat de leden van de vitamine B bij uitstek voedend voor het zenuwweefsel werken.

In oude kruidenboeken kom je nog een heel interessante remedie tegen voor aangezichtspijn. De giftige plant Monnikskap, in het Latijn Aconitum, wordt aanbevolen in een bepaalde verdunning, want anders zou het gevaarlijk zijn. Meestal gebruikte men de D3 of D4 verdunning. Uw apotheker weet hier alles over te vertellen.  


Waarom nu die Monnikskap, die Aconitum, bij aangezichtszenuwpijn?  
Wel, als je van opzij in het diep blauwe bloemetje kijkt van de Aconitum lijkt het een ouderwetse monnikskap. De drie zenuwvertakkingen van die aangezichtszenuw (ook wel drielingszenuw genoemd), bevinden zich namelijk langs de wangen en de mond, langs de oren en ogen en boven over het hoofd; dus juist op de plaatsen die precies bedekt worden door de monnikskap, als je onder die monnikskap een hoofdje denkt.  
In de oude kruidengeneeskunde noemde men dat de signatuurleer, d.w.z. dat bepaalde verschijnselen/vormen/kleuren, enz. aan planten sterke overeenkomsten vertoonden in uiterlijk met bepaalde organen of plaatsen waar een ziekte zich openbaarde.

Bij aangezichtspijn, een pijn die op een heel karakteristieke plaats aanwezig is, gebruikte men vroeger dus Aconitum D 3 of D4, omdat het bloemetje van de Aconitum als het ware een denkbeeldige bescherming gaf juist aan die aangezichtszenuwpijnplek.  
Boeiend en leerzaam om steeds weer te ontdekken hoe creatief mensen in vroeger tijd, toen er nauwelijks van die agressief werkende medicijnen waren, met de natuur en haar geweldige mogelijkheden omgingen.

Jaap Huibers  

P.S.  
Afhankelijk van het ziektebeeld zijn er nog vele andere middelen dan aconitum (red.).


Terug naar menu


Oorspronkelijk gepubliceerd in De Natuur Uw Arts, 27e jaargang, Nr. 165, bladzijde 7