
Natuurlijk beter?
Is natuurlijk altijd beter, en is natuurlijk altijd veiliger? Deze twee vragen worden vaak gesteld als het gaat om voedingssupplementen en de daarin gebruikte vitamines, mineralen en plantenextracten. Iedereen kent die kreten wel: natuurlijk is gezond, natuurlijk gezond, gezond natuurlijk, enz… al dan niet biologisch of met een 'groen' imago.
We zouden bijna vergeten dat die 'gezonde' natuur ook de leverancier is van een heel scala aan toxische stoffen. Denk maar eens aan allerlei toxische planten (vingerhoedskruid, taxus, dieffenbachia, herfsttijloos, enz.) die we beter maar niet kunnen nuttigen of aanraken (bijvoorbeeld berenklauw en de vrij onschuldige brandnetel). Paddenstoelen zijn ook zo'n voorbeeld. Er zijn diverse prima eetbare soorten, maar ook vele giftige types, zoals de groene knolamaniet; het eten daarvan moet met enige regelmaat met de dood worden bekocht.
Dieren kunnen ook een heel scala aan gifstoffen produceren: diverse slangen, spinnen, schorpioenen, e.d. bedienen zich van gif om hun prooi te doden. Vaak zijn ze voor ons ook behoorlijk gevaarlijk (ratelslang, mamba, zwarte weduwe), soms zelfs dodelijk. Gifstoffen die dieren produceren, worden ook wel door mensen gebruikt. Zo maken de indianen in het Amazonegebied gebruik van het gif van het pijlgifkikkertje. Ze brengen het gif aan op de punten van de pijlen, die ze met behulp van een blaaspijp afschieten. Allemaal behoorlijk natuurlijk, maar verre van gezond dus.
In Bangladesh was het oppervlaktewater nogal vervuild, met alle gevolgen van dien voor de bevolking. Met behulp van organisaties als de NOVIB zijn er keurige waterputten geslagen waardoor de bevolking eindelijk de beschikking kreeg over schoon water. Toch werden de mensen ziek. Uiteindelijk bleek dat het niet lag aan een bacteriële verontreiniging, maar aan een hoog arsenicumgehalte. Dit arsenicum komt van nature in de grond voor. Wel natuurlijk, maar ook hier verre van gezond dus!
Vitamines, natuurlijk versus synthetisch
Synthetische vitamines hebben dezelfde chemische structuur als de vitamines die van nature in ons voedsel voorkomen. Voor je lichaam maakt het niet uit hoe ze zijn gemaakt. Een uitzondering hierop vormt vitamine E. De natuurlijke vorm is d-alfa-tocoferol, de vorm die bijvoorbeeld ook in tarwekiemolie voorkomt. De 'd'-vorm is effectiever dan de 'l'-vorm van vitamine E. De natuur kent alleen de 'd'-vorm. Als vitamine E synthetisch wordt gemaakt, ontstaat een mengsel van 50% 'd'-vorm en 50% 'l'-vorm. Derhalve wordt er in dit geval bij voorkeur gekozen voor de natuurlijke vitamine E.
Synthetische vitamines uit tabletten worden makkelijker door het lichaam opgenomen, doordat deze vitamines in vrije vorm voorkomen. Bovendien zijn deze vitamines in veel gevallen veel zuiverder; er is veel minder kans op verontreiniging. Tenslotte zijn ze ook nog geconcentreerder, waardoor de tabletten niet onnodig groot worden (deze zijn toch al flink aan de maat in bepaalde gevallen). In voedingsmiddelen zitten de vitamines vaak gebonden en moeten ze tijdens de spijsvertering eerst worden vrijgemaakt. Dit lukt niet altijd helemaal, waardoor een deel van de vitamines het lichaam via de ontlasting weer verlaat.
Overigens zou het onbetaalbaar worden producten volledig uit natuurlijke vitamines te laten bestaan, en… waar halen we zulke grote hoeveelheden vandaan? Het zou betekenen dat bijvoorbeeld een flink deel van de Sahara moet worden beplant met sinaasappelbomen om iedereen van voldoende natuurlijke vitamine C te kunnen voorzien. Over de kosten zullen we het hier maar niet hebben.
Mineralen, natuurlijk versus synthetisch
Kan dat wel? Nee dus. Er bestaan helemaal geen synthetische mineralen, dus als een aanbieder spreekt over natuurlijke mineralen, dan is dat gewoon een marketingpraatje.
Wel kunnen we de mineralen indelen in oplosbaar (daardoor ook meestal opneembaar) en onoplosbaar. Of indelen naar toxisch of non-toxisch. Of naar organisch en anorganisch. Maar namaken… dat lukt toch echt niet.
Je beter voordoen dan je eigenlijk bent
Soms voorzien fabrikanten van voedingssupplementen het etiket met de kreten: 'van natuurlijke oorsprong', 'uit natuurlijke bron', 'uit natuurlijke grondstoffen' of 'natuuridentiek'. Dat líjkt dan wel natuurlijk, maar is dat zelden. Het verkoopt echter wel beter. Het publiek wil 'natuurlijk' omdat dat geassocieerd wordt met gezond; dus bieden leveranciers ze als 'natuurlijk' aan.
Een tijdje geleden kwam ik nog een verpakking tegen van kindervitamines. Volgens de producent 100% natuurlijk, maar wel gezoet met aspartaam (kunstmatige zoetstof).
Iets van natuurlijke oorsprong is meestal gesynthetiseerd uit iets natuurlijks en dat geldt ook voor de 'natuurlijke bron'.
Stel dat je een vitamine zou kunnen synthetiseren uit aardolie, dan is dat toch uit een natuurlijke grondstof? Maar 'natuurlijk' kun je deze vitamine niet noemen. Natuuridentiek is nog de beste omschrijving en deze suggereert niet meer dan het is: een nagemaakte vorm van een stof die ook in de natuur voorkomt en zelfs identiek is aan deze natuurlijke vorm. Van de vitamines is een goed voorbeeld de vitamine C (L-ascorbinezuur).
Conclusie
'Natuurlijk' is makkelijker gezegd dan waargemaakt; en het is zeker niet altijd veiliger of beter.
Alf Knutzen
orthomoleculair voedingsdeskundige
Oorspronkelijk gepubliceerd in De Natuur Uw Arts, 33e jaargang 2008, Nr. 193, bladzijde 20